Commentaar op Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering art. 6 (Arbeidsrecht)
Commentaar is bijgewerkt tot 05-10-2016 door mr. E. de Wind en mr. E.K.W. van Kampen en mr. E.C.A. Pronk
Artikel 6 Tekst van de hele regeling
De Nederlandse rechter heeft eveneens rechtsmacht in zaken betreffende:
verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
een individuele arbeidsovereenkomst of een agentuurovereenkomst, indien de arbeid gewoonlijk in Nederland of op een Nederlands zeeschip als bedoeld in artikel 695 lid 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt verricht of laatstelijk gewoonlijk werd verricht;
een individuele arbeidsovereenkomst, indien de arbeid tijdelijk in Nederland wordt verricht, voorzover het betreft een rechtsvordering met betrekking tot arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, welke is gegrond op artikel 2 van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, artikel 7, 7a, 13 of 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, artikel 2, zesde lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, artikel 8 of 11 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, alsmede artikel 5, eerste lid, onder b, d, e, of f, van de Algemene wet gelijke behandeling;
een overeenkomst die wordt gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, indien die natuurlijke persoon in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft en de partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf aldaar commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op Nederland en de overeenkomst onder die activiteiten valt;
verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen;
zakelijke rechten op, alsmede huur en verhuur, pacht en verpachting van in Nederland gelegen onroerende zaken;
nalatenschappen, indien de erflater zijn laatste woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland had;
de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van in Nederland gevestigde vennootschappen of rechtspersonen; de geldigheid, nietigheid of rechtsgevolgen van hun besluiten of die van hun organen, dan wel de rechten en verplichtingen van hun leden of vennoten als zodanig;
faillissement, surséance van betaling of schuldsaneringsregeling natuurlijke personen indien het faillissement, de surséance van betaling of de toepassing van de schuldsaneringsregeling in Nederland is uitgesproken of verleend.
A: Inleiding
Artikel 6 Rv voorziet in extra gronden voor rechtsmacht, waarop de aanlegger van het geding zich kan baseren. Deze gronden staan niet alternatief naast die van artikel 2 of artikel 3 Rv, maar gelden wanneer deze artikelen geen grondslag voor rechtsmacht bieden. Artikel 6, aanhef en onder b, Rv geeft de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht in zaken betreffende een individuele arbeidsovereenkomst of een agentuurovereenkomst, indien de arbeid gewoonlijk in Nederland of op een Nederlands zeeschip als bedoeld in artikel 7:695 lid 1 BW wordt verricht of laatstelijk gewoonlijk werd verricht. Artikel 6 Rv is zowel van toepassing op zaken die met een dagvaarding als op zaken die met een verzoekschrift moeten worden ingeleid.
B: Wetstechnische informatie
Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de historische informatie bij Artikel 6.
C: Kernproblematiek
C.1: Uitbreiding rechtsmacht
De gronden die in artikel 6 Rv zijn opgesomd zijn extra gronden waaraan de Nederlandse rechter rechtsmacht kan ontlenen: een aanlegger kan zich op deze gronden baseren als aan de voorwaarden die de artikelen 2 en 3 Rv stellen, niet is voldaan.1 De rechtsmachtgronden van artikel 6 Rv werken dan ook aanvullend ten opzichte van de artikelen 2 en 3 Rv.
Artikel 6 Rv is niet tot dagvaardingsprocedures beperkt. In zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid zijn de artikelen 3 sub c en 9 Rv dan ook cumulatief. De in artikel 6 Rv genoemde rechtsmachtgronden, in het bijzonder welke internationale verzoekschriftprocedures betreffen, zijn overigens gebaseerd op de band die de zaak met de rechtssfeer van Nederland heeft. Zij kunnen dan ook geen bijzondere betekenis geven aan het bepaalde in artikel 3 sub c Rv.2
C.2: Rechtsmacht in zaken betreffende een individuele arbeidsovereenkomst
Op grond van artikel 6 sub b Rv heeft de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht in zaken betreffende een individuele arbeidsovereenkomst, indien de arbeid gewoonlijk in Nederland of op een Nederlands zeeschip als bedoeld in artikel 7:695 lid 1 BW wordt verricht of laatstelijk gewoonlijk werd verricht. De zinsnede ‘of laatstelijk gewoonlijk (...) werd verricht’ is met de invoering van de Veegwet Burgerlijk Procesrecht toegevoegd aan artikel 6 sub b Rv. Deze toevoeging dient ter verduidelijking van het feit dat de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft ten aanzien van geschillen inzake een reeds beëindigde arbeidsovereenkomst, mits de arbeidsovereenkomst voorafgaand aan de beëindiging laatstelijk gewoonlijk in Nederland (of op een Nederlands zeeschip) werd verricht.
Daar op grond van de artikelen 2 en 3 Rv niet in alle gevallen rechtsmacht van de Nederlandse rechter zal bestaan, is ter bescherming van de zeevarende op een Nederlands zeeschip ook rechtsmacht toegekend in geval van een individuele arbeidsovereenkomst of een agentuurovereenkomst, indien de arbeid gewoonlijk op een Nederlands zeeschip wordt verricht of laatstelijk gewoonlijk werd verricht.3 Wanneer de arbeid niet alleen gewoonlijk in Nederland (of op een Nederlands zeeschip), maar ook in het buitenland wordt verricht, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 sub b Rv nog steeds bevoegd. Ten aanzien van de uitleg van het woord ‘gewoonlijk’ verwijst de wetgever naar een oud arrest van de Hoge Raad4, waarin in een soortgelijke context ‘gewoonlijk’ werd uitgelegd als ‘hoofdzakelijk’.5
Cao’s zijn van de werking van artikel 6 sub b uitgesloten. Het zou volgens de wetgever niet wenselijk zijn wanneer aan een Nederlandse rechter rechtsmacht zou toekomen ten aanzien van buitenlandse cao’s. Deze situatie moet echter worden onderscheiden van die waarin het gaat om een individuele arbeidsovereenkomst waarop een buitenlandse cao van toepassing is; die omstandigheid doet op zichzelf aan de eventuele rechtsmacht van de Nederlandse rechter geen afbreuk. Onder een buitenlandse cao verstaat de wetgever een cao die gesloten is voor buiten Nederland gesitueerde arbeidsverhoudingen. Overigens zal de Nederlandse rechter te dien aanzien rechtsmacht kunnen hebben indien dat uit een van de meer algemene gronden van rechtsmacht voortvloeit, bijvoorbeeld indien een Nederlands bedrijf een van de partijen is bij een cao voor het personeel van haar Chinese vestiging.6
C.3: Aanwijzing
In de MvT bij de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 6 Rv wordt aangegeven, dat de in dit artikel genoemde gronden zijn ontleend aan het bestaande Nederlandse recht en aan het EEX-Verdrag7 en het EVEX.8 Waar zij zijn ontleend aan deze verdragen, is de tekst daarvan in beginsel letterlijk overgenomen. Op deze wijze wordt aangegeven dat de naar aanleiding van deze tekst ontstane rechtspraak, met name die van het Hof van Justitie, ook voor de Nederlandse rechter een bron van inspiratie kan zijn.9
C.4: Wetsvoorstel Vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (KEI-I)
De Eerste Kamer heeft op 12 juli 2016 het wetsvoorstel Vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (KEI-I) aangenomen.10Deze wet, die inmiddels in het Staatsblad is gepubliceerd (Stb. 2016, 288), voorziet onder meer in de introductie van één civiele procesinleiding en één civiele basisprocedure. Het huidige onderscheid tussen de dagvaardingsprocedure en de verzoekschriftprocedure komt hiermee te vervallen. Het huidige onderscheid tussen een eis, in de wet aangeduid als ‘vordering’, en een verzoek blijft wel bestaan. Met de procesinleiding legt een eiser of verzoeker zijn vordering respectievelijk zijn verzoek voor aan de rechter. De wet Vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (KEI-I) beoogt niet de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te wijzigen.11In de rechtsmachtbepalingen in afdeling 1.1.1 Rv wordt een aantal technische aanpassingen doorgevoerd ten aanzien van de artikelen waarin nu wordt gerefereerd aan zaken die met een dagvaarding dan wel met een verzoekschrift worden ingeleid. IVoorgesteld wordt om in artikel 6, sub a, Rv wordt het woord ‘eis’ te vervangen door: ‘vordering’. Voor het overige worden er in het wetsvoorstelgeen wijzigingen met betrekking tot artikel 6 Rv doorgevoerdvoorgesteld. Het is nog niet bekend wanneer de wet Vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (KEI-I)precies in werking treedt.
D: Jurisprudentie uitgebreid
Bij dit artikel is nog geen belangrijke jurisprudentie aanwezig.
E: Jurisprudentie nieuw
Meest recente jurisprudentie over Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 6.
F: Literatuurverwijzing
- L. Strikwerda, De overeenkomst in het IPR, Apeldoorn: Maklu 2015, p. 79-83.
- L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 229-232.
- J.H. Even en E.K.W. van Kampen, ‘De arbeidsovereenkomst in internationaal privaatrechtelijk perspectief. Drie kernvragen voor de Nederlandse jurist’, ArA 2004, 1, p. 22-23.
- X.E. Kramer, ‘De regeling van de rechtsmacht onder het herziene Rechtsvordering’, NIPR 2002, 4, p. 379-381.
- P. Vlas en F. Ibili, ‘De nieuwe commune regels inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter’, WPNR 6527, p. 314-315.