De eenzijdige cessie-akte bij stille cessie
Privaatrecht Actueel
1. Inleiding
Vorderingen op naam kunnen sinds 1 oktober 2004 niet alleen door openbare, maar ook door stille cessie (art. 3:94 lid 3 BW) worden geleverd. Het grote verschil tussen de beide varianten is dat bij openbare cessie de mededeling aan de debiteur van de te cederen vordering, een constitutief vereiste is voor de totstandkoming van de cessie. Dit vereiste moet gezien worden tegen de achtergrond van de opmerking van Meijers dat het wenselijk is ‘dat er van de overdracht iets naar buiten blijkt, zodat niet een betekening nog na de faillietverklaring van de overdrager geldig kan geschieden’.2 Bij een stille cessie ontbreekt de publiciteit die samenhangt met de mededeling aan de debiteur. Dit wordt ondervangen door het eisen van een ‘daartoe bestemde authentieke of geregistreerde onderhandse akte’. De overeenkomst tussen beide vereisten is dat zij er beide toe strekken zoveel mogelijk zekerheid te verschaffen over de voor derden belangrijke vraag of en wanneer een overdracht van een vorderingsrecht op naam tot stand is gekomen.3 De memorie van toelichting bij art. 3:94 lid 3 BW verwoordt het aldus:
‘De ratio van het mededelingsvereiste dat duidelijkheid bestaat over het moment van overdracht en dat de overdracht kenbaar is, kan ook worden bereikt met een authentieke akte of een geregistreerde onderhandse akte, zoals in het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld (...).’4
Hieronder wordt betoogd dat met het vereiste van de authentieke of geregistreerde onderhandse akte het beoogde doel (duidelijkheid over het moment van overdracht) niet altijd wordt bereikt. De oorzaak hiervan is dat in art. 3:94 lid 3 BW - anders dan bijvoorbeeld…