Naar de inhoud

ECLI:NL:CRVB:2017:1836 Centrale Raad van Beroep , 18-05-2017 / 16/2861 AW

Uitspraak

16/2861 AW

Datum uitspraak: 18 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

24 maart 2016, 15/3160 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.F.L. van der Hout, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Hout. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J. Verhagen en mr. A.L.A. Tortike.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.2.

Appellant was sinds 1 december 1973 werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, laatstelijk in de functie van Programmamanager Biometrie bij het Hoofdkantoor Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).

1.3.

Op 8 mei 2014 heeft appellant de minister via P-Direct verzocht hem per 1 augustus 2014 ontslag te verlenen in verband met de Regeling flexibel pensioen en uittreden (Regeling FPU).

1.4.

Bij besluit van 27 juni 2014 is appellant met ingang van 1 augustus 2014 eervol ontslag verleend op grond van artikel 94a, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) in verband met de Regeling FPU.

1.5.

Bij algemene brief van 11 juli 2014 heeft de minister alle medewerkers die op dat moment in het personeelsbestand van het Hoofdkantoor DJI voorkwamen, onder wie ook appellant, meegedeeld dat in verband met de voorgenomen reorganisatie voor alle functiegroepen met ingang van 1 juli 2014 de vrijwillige fase van Van Werk Naar Werk (VWNW) is afgekondigd. Voorts heeft appellant een aangepaste versie van deze brief ontvangen, eveneens gedateerd op 11 juli 2014, met de mededeling dat in eerste instantie is gemeend appellant niet mee te nemen in de afkondiging van de vrijwillige fase, maar dat alsnog op verzoek van appellant om dat wel te doen, de brief aan hem is gezonden.

1.6.

Op 11 juli 2014 is door leidinggevende D. een mobiliteitsgesprek in het kader van het VWNW-beleid gehouden met appellant, in aanwezigheid van L. als onafhankelijk procesbewaker. Er is een (verkort) VWNW-plan als bedoeld in artikel 49y van het ARAR opgemaakt en door de aanwezigen ondertekend. In dit plan is als te behalen resultaat voor de komende periode vermeld het aanvragen van een stimuleringspremie.

1.7.

De aanvraag van appellant van 16 juni 2014 om toekenning van een stimuleringspremie is door D. op 27 juli 2014 voor niet akkoord getekend.

1.8.

Bij besluit van 28 november 2014, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 5 juni 2015 (bestreden besluit), heeft de minister de aanvraag om toekenning van de stimuleringspremie afgewezen. Appellant had reeds vóór de vrijwillige VWNW-fase uit eigen beweging en met de bedoeling gebruik te maken van de FPU-regeling om ontslag verzocht. Hij voldeed daarmee niet aan de criteria om in aanmerking te komen voor een stimuleringspremie op grond van artikel 49tt van het VWNW-beleid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank acht de uitleg die de minister in het onderhavige geval heeft gegeven aan

artikel 49tt van het ARAR redelijk en rechtens aanvaardbaar. Blijkens de toelichting op artikel 49tt van het ARAR in de Nota van Toelichting, Stb 2013, 540, is de (aanspraak op een) stimuleringspremie bedoeld om als prikkel te dienen voor vrijwillig vertrek en moet daarom voorafgaan aan dat vertrek. Nu vaststaat dat appellant op het moment van het ontslagverzoek op 8 mei 2014 geen VWNW-kandidaat was en aan hem reeds ten tijde van de afkondiging van de vrijwillige VWNW-fase vrijwillig FPU-ontslag was verleend, heeft de minister appellant terecht niet in aanmerking gebracht voor een stimuleringspremie. De vraag of appellant op 11 juli 2014 vrijwillig VWNW-kandidaat als bedoeld in artikel 49r, aanhef en onder i van het ARAR is geworden, en de daarmee verband houdende vragen of een

VWNW-plan is vastgesteld en appellant kenbaar heeft gemaakt dat te willen uitvoeren, kunnen gelet daarop onbesproken blijven. Het beroep van appellant op strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur slaagt niet. Evenmin is sprake van een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel.

3. De Raad komt naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht tot de volgende beoordeling.

3.1.

De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen en maakt deze tot de zijne. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

3.2.

De Raad heeft reeds eerder in vergelijkbare zaken (uitspraken van 28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3453 en 9 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4798) overwogen dat een stimuleringspremie zoals hier aan de orde is bedoeld om medewerkers door middel van een financiële prikkel ertoe te bewegen ontslag te nemen teneinde de aanwezige boventalligheid te verminderen. Nu appellant reeds ontslag had genomen was bevordering van het vertrek niet meer nodig en zou inwilliging van zijn verzoek in strijd komen met de strekking van de maatregel. Uit de genoemde jurisprudentie volgt voorts dat de minister niet gehouden was om appellant alsnog in de gelegenheid te stellen een reeds ingediend (en ingewilligd) verzoek om ontslag aan te passen.

3.3.

Dat appellant in de gelegenheid is gesteld om een aanvraag in te dienen en dat daarbij het VWNW-traject is gevolgd, kan niet leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit geldt evenzeer voor het betoog van appellant dat zijn functioneel leidinggevende bij zijn afscheidsreceptie gezegd zou hebben dat appellant een stimuleringspremie krijgt. Daarmee is nog geen sprake van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging door het bevoegde orgaan.

3.4.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2017.

(getekend) M.T. Boerlage

(getekend) A. Mansourova

HD

De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen en maakt deze tot de zijne. In vergelijkbare zaken heeft de Raad overwogen dat stimuleringspremie bedoeld is om medewerkers met een financiële prikkel te bewegen ontslag te nemen. Appellant had reeds ontslag genomen zodat bevordering van vertrek niet meer nodig was en inwilliging verzoek in strijd zou komen met strekking van de maatregel. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Gegevens

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak18-05-2017
Datum publicatie19-05-2017
ECLIECLI:NL:CRVB:2017:1836
Zaaknummer16/2861 AW
Bijzondere kenmerkenHoger beroep
RechtsgebiedArbeidsrecht