ECLI:NL:OGHACMB:2017:44 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 09-06-2017 / AR 9/13 - ghis 80302 - H 309/16 en 309A/16

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 9/13 - ghis 80302 - H 309/16 en 309A/16

Uitspraak: 9 juni 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende in Sint Maarten,

eerder achtereenvolgens gedaagde en opposante,

thans appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigde: R.E. Duncan,

tegen

de naamloze vennootschap

[ADVOCATENKANTOOR] N.V.,

gevestigd in Sint Maarten,

eerder achtereenvolgens eiseres en geopposeerde,

thans geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. L.M.G. Dundas.

De partijen worden hierna [appellante] en [advocatenkantoor] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 19 februari 2016 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 12 januari 2016 uitgesproken verzetvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA).

1.2

Bij op 30 maart 2016 ingekomen memorie van grieven heeft [appellante] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het verzetvonnis en het verstekvonnis van het GEA van

26 maart 2013 van het GEA zal vernietigen en de civiele rechter alsnog voor wat betreft de hoogte van de declaraties en het gehanteerde tarief onbevoegd zal verklaren en de overige vordering(en) van [advocatenkantoor] zal afwijzen, met veroordeling van [advocatenkantoor] in de kosten van het geding in beide instanties.

1.3

Bij op 8 juni 2016 ingekomen memorie, met producties, heeft [advocatenkantoor] de grieven van [appellante] bestreden, incidenteel appel ingesteld en een grief tegen het vonnis van 12 januari 2016 aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof dat vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en haar bij conclusie van antwoord in oppositie (voorwaardelijk) vermeerderde eis alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het principaal en het incidenteel appel.

1.4

Bij op 6 juli 2016 ingekomen memorie heeft [appellante] de grief van [advocatenkantoor] bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis gedeeltelijk zal bevestigen, met veroordeling van [advocatenkantoor] in de kosten van het incidenteel appel.

1.5

Op 16 december 2016 hebben partijen pleitnotities overgelegd. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Bij inleidend verzoekschrift heeft [advocatenkantoor] betaling gevorderd van US$ 6.335,52, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Daartoe heeft zij gesteld dat zij [appellante] vanaf november 2009 in rechte heeft bijgestaan en dat [appellante] dit bedrag verschuldigd is aan honoraria en verschotten.

2.2

Nadat het GEA het gevorderde bij verstek had toegewezen, is [appellante] in verzet gegaan. Zij voerde een ontvankelijkheidsverweer op grond van

art. 34 van de Advocatenlandsverordening 1959. Zij voerde ook andere verweren: zij betwistte met [advocatenkantoor] te hebben gecontracteerd, beriep zich op wanprestatie aan de zijde van [advocatenkantoor], stelde reeds te hebben betaald en betwistte buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn.

2.3

Bij conclusie van antwoord in oppositie heeft [advocatenkantoor] haar eis voorwaardelijk vermeerderd.

2.4

Bij het verzetvonnis heeft het GEA het ontvankelijkheidsverweer verworpen en het verstekvonnis bekrachtigd. Hiertegen is het principaal appel gericht. Het GEA heeft de eisvermeerdering afgewezen. Hiertegen is het incidenteel appel gericht.

2.5

De eerste grief van [appellante] betreft de vraag of en zo ja, in hoeverre, het bepaalde in de Advocatenlandsverordening 1959 eraan in de weg staat dat de civiele rechter de vordering beoordeelt.

2.6

Een vergelijkbare vraag heeft in het verleden gespeeld in Nederland. Daarover heeft de Hoge Raad uitspraken gedaan in HR 26 februari 1988,

NJ 1989/28 en HR 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1994:ZC1004, NJ 1994/4. Inmiddels is de regeling in Nederland zodanig gewijzigd dat zij niet goed meer vergelijkbaar is met de regeling in de Advocatenlandsverordening 1959. Zie daarover HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1514, NJ 2016/311.

De hoven in Nederland hebben uit de genoemde rechtspraak van de Hoge Raad wisselende conclusies getrokken met betrekking tot de vraag of en zo ja, in hoeverre, de civiele rechter kan oordelen over de toewijsbaarheid van een vordering tot betaling van een advocatendeclaratie, indien niet alleen geschil bestaat over de hoogte daarvan, maar er ook andere geschilpunten zijn.

Zie bijvoorbeeld:

Hof 's-Hertogenbosch 25 april 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AX0997,

Hof 's-Gravenhage 28 augustus 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ5982, en

Hof 's-Hertogenbosch 4 februari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:30.

Hetgeen hierover is overwogen in de uitspraak waarnaar partijen en het GEA verwezen hebben, Hof Arnhem-Leeuwarden 6 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3709, kan dus niet worden aangemerkt als vaste rechtspraak.

2.7 [

advocatenkantoor] heeft in reactie op grief 1 van [appellante] aangevoerd dat zij ervan overtuigd is dat de hoogte van de declaraties klopt en dat [appellante] dat nooit eerder heeft betwist. Dat kan er echter niet aan afdoen dat er thans geschil bestaat over de hoogte van de declaraties. Dat is een geschil als bedoeld in art. 34 lid 1 Advocatenlandsverordening 1959. De Raad van Toezicht is bevoegd daarover te oordelen. Hij is ook bij uitstek deskundig om dat te doen. Het Hof zal [advocatenkantoor] daarom in de gelegenheid stellen een begrotingsprocedure aanhangig te maken bij de Raad van Toezicht. Daartoe zal het Hof de zaak doorhalen op de rol.

2.8

Het is mogelijk dat de Raad van Toezicht (en de Raad van Appel) zich bevoegd zal (zullen) achten te oordelen over alle aspecten van het geschil en het is ook mogelijk dat er daarna niets meer ter beslissing aan het Hof behoeft te worden voorgelegd. In dat geval behoeft de zaak niet meer op de rol terug te komen. Desgewenst kan iedere partij die dat wenst, zodra in de begrotingsprocedure een onherroepelijk geworden uitspraak is verkregen, de griffie verzoeken de zaak weer op de rol te plaatsen, zodat de partij die uitspraak in dit civiele geding kan brengen, waarna het Hof, na aktewisseling, bij vonnis nader zal beoordelen wat zijn taak als restrechter meebrengt.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

haalt de zaak door op de rol;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en

H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 9 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.