Naar de inhoud

Eigenbouwerschap: 
wie heeft de leiding?

De keten- en inlenersaansprakelijkheid is ingevoerd per 1 juni 1982. Nadat het eerste aanleg rustig was met jurisprudentie met betrekking tot deze aansprakelijkheidsbepalingen, is met name eind jaren tachtig en in de jaren negentig van vorige eeuw een hoos aan uitspraken verschenen. Nadien is het weer (relatief) rustig geworden. In de ketenaansprakelijkheid neemt het begrip ‘eigenbouwer’ een bijzondere plaats in. Jurisprudentie hierover is echter schaars. Recent is er een uitspraak gedaan inzake het eigenbouwerschap in de btw.

Onder omstandigheden wordt een opdrachtgever gelijk gesteld met een aannemer en kan uit dien hoofde aansprakelijk worden gesteld voor de niet betaalde loonheffingen van de onderaannemer. Voor de btw geldt dat dan de btw wordt geheven van degene aan wie de levering of dienst wordt verricht. De in dit artikel besproken uitspraak heeft betrekking op het eigenbouwerschap in de btw. Maar nu eerst iets over het begrip eigenbouwer.

Definitie eigenbouwer

Met een aannemer wordt gelijkgesteld de zogenoemde eigenbouwer. In art. 35 lid 3 onderdeel b Invorderingswet 1990 en art. 24b lid 3 Uitvoeringsbesluit OB is het begrip eigenbouwer gedefinieerd als ‘degene die zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen buiten dienstbetrekking in de normale bedrijfsuitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert’.

In de parlementaire geschiedenis is aangegeven dat het begrip eigenbouwer ruim moet worden uitgelegd. Ook uit de jurisprudentie komt naar voren dat het begrip ruim uitgelegd moet worden. In de parlementaire stukken is tevens opgemerkt dat ‘kenmerkend voor de eigenbouwer is, dat het uitvoeren van het werk tot zijn normale bedrijfsuitoefening behoort. Ook al zou de eigenbouwer het werk geheel door een ander laten uitvoeren…