Geen deelnemingsvrijstelling bij verkoop van als voorraad gehouden aandelen
Samenvatting
Belanghebbende (X BV) heeft op 18 juli 1989 alle aandelen A BV verworven. A BV vormde destijds reeds een fiscale eenheid met B BV. Met betrekking tot deze fiscale eenheid waren oude standaardvoorwaarden van toepassing (de zeventiende standaardvoorwaarde ontbrak). Op 3 maart 1993 werd dividend uitgekeerd door A BV aan belanghebbende. Op 16 april 1993 verkocht belanghebbende de fiscale eenheid (de aandelen A BV). Hiermee werd een positief resultaat behaald. De inspecteur weigert toepassing van de deelnemingsvrijstelling, met als argument dat de aandelen A BV als voorraad werden gehouden. De uitsluiting van 'voorraad-BV's' van de deelnemingsvrijstelling is op 28 april 1990 ingevoerd als reparatiewetgeving. Het hof stelt de inspecteur in het gelijk, overwegende dat de aandelen A BV voor de omzet aanwezig waren. De door belanghebbende voorgestane compartimentering (op de winst die is toe te rekenen aan de bezitsperiode tot 28 april 1990 zou wel de deelnemingsvrijstelling van toepassing moeten zijn) wordt ook niet verleend, met als argument dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat (een deel van) het voordeel is ontstaan in de periode voor de wetswijziging. De middelen gericht tegen deze oordelen kunnen volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden. Anders dan belanghebbende stelt, ziet de reparatiewetgeving niet slechts op 'geldzak-BV's'. De overweging van het hof dat belanghebbende niet heeft gesteld en verder niet is gebleken dat de aandelen reeds ten tijde van de aankoop een hogere waarde hadden, doet belanghebbende tenslotte in cassatie de das om. De stelling dat de verkoper van de aandelen A BV zich niet bewust was van de waarde…