Naar de inhoud

Het gebruiksrecht van de fzo-pandhouder met betrekking tot giraal geld

1. Inleiding

In 2006 is een nieuw type zekerheidsrecht aan het Burgerlijk Wetboek toegevoegd: het pandrecht uit hoofde van een financiëlezekerheidsovereenkomst (hierna ook: ‘fzo-pandrecht’). Dit pandrecht is opgenomen in titel 7.2, die de implementatie vormt van Richtlijn nr. 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (hierna: ‘Collateral Richtlijn’ of kortweg ‘richtlijn’). Financiëlezekerheidsovereenkomsten zijn overeenkomsten op grond waarvan een partij financiële activa verschaft aan een andere partij ter verzekering van een openstaande verplichting.2 Onder financiële activa worden (giraal) geld, effecten en kredietvorderingen begrepen.3 Financiëlezekerheidsovereenkomsten worden in de regel gesloten tussen professionele partijen die actief zijn op de financiële markt, zoals centrale banken, commerciële banken en verzekeraars.4

Bijzonder aan het fzo-pandrecht zijn de bevoegdheden die de pandhouder kan bedingen: een gebruiksrecht (art. 7:53 BW) en een toe-eigeningsrecht (art. 7:54 BW). Deze bijdrage heeft betrekking op het gebruiksrecht van de pandhouder - kort gezegd: de bevoegdheid van de pandhouder om over de in pand gegeven goederen te beschikken -, een figuur die niet alleen vreemd is aan het Nederlandse vermogensrecht, maar ook haaks op zijn structuren lijkt te staan. Om te beginnen zal daarom de achtergrond van het gebruiksrecht worden besproken (§ 2). Daarna wordt in kaart gebracht wat in abstracto de effecten van uitoefening van het gebruiksrecht zijn (§ 3). Centraal in deze bijdrage staan de gevolgen van uitoefening van het gebruiksrecht indien een pandrecht op geld wordt gevestigd, waarbij tevens het recent ingevoerde voorrecht van de fzo…