Naar de inhoud

Hoe relatief is de vernietiging krachtens artikel 3:45 BW (actio Pauliana)?

Tussen K en de inspecteur bestaat een geschil of de toestand van vóór de verkrijging zowel feitelijk of rechtens is hersteld als bedoeld in artikel 19 WBR (zie Notafax 2007, nr 106).

In hoger beroep oordeelt het Hof onder meer het volgende. K trekt uit het vonnis van de Rechtbank de conclusie dat V steeds eigenaar van de woning is gebleven. Het Hof is het hier niet mee eens. De door de Pauliana gegeven bevoegdheid om rechtshandelingen van de schuldenaar aan te tasten is aan schuldeisers gegeven teneinde hen te beschermen tegen verkorting van hun verhaalsrecht. Dit doel wordt bereikt door de schuldeiser die er een beroep op doet, de bevoegdheid te geven te handelen alsof de betreffende rechtshandeling niet was gesteld. Slechts ten aanzien van die schuldeiser heeft de nietigheid enige uitwerking. Ten aanzien van alle anderen, en in het bijzonder de partijen bij de overeenkomst zelf (V en K), blijven de rechtsgevolgen van de aangetaste handeling overeind. Uit het voorgaande volgt dat K ook na het vonnis van de Rechtbank eigenaar van de woning is gebleven. K was dus beschikkingsbevoegd en hij kon de woning dus niet alleen verkopen aan D maar tevens rechtsgeldig aan hem leveren. Dat heeft K vervolgens ook daadwerkelijk gedaan; dat blijkt uit de tussen K en D gesloten koopovereenkomst en uit de leveringsakte. K heeft gesteld dat hij slechts om ‘administratieve redenen' in de koop- en leveringsakte wordt genoemd omdat hij op dat moment nog als eigenaar stond ingeschreven in de openbare registers. Voor zover K met deze stelling bedoelt dat hij bij de verkoopovereenkomst slechts optrad als vertegenwoordiger van V acht het Hof deze stelling…