Hoge Raad 13-04-2001 (Duzgun/Abilis), RvdW 2001, 82, NJ 2001, 408, JAR 2001, 82


Kennelijk onredelijk ontslag. Sociaal plan. CAO.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 82.

In het kader van een reorganisatie wordt een werknemer (57 jaar en 15 jaar in dienst) tezamen met 17 collega's ontslagen. Met de vakbond is in verband hiermee een sociaal plan overeengekomen, dat voorziet in een aanvulling tot 95% van het laatstverdiende bruto loon. De werknemer vordert een verklaring voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat de gevolgen ervan voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang daarbij van zijn werkgever alsmede betaling van een geldbedrag. De werknemer stelt daartoe dat het Sociaal Plan voor oudere werknemers en in het bijzonder voor hem geen aan de leeftijd en het aantal dienstjaren gekoppelde evenredige vergoeding biedt. De rechtbank heeft de vordering in hoger beroep afgewezen onder meer op de grond dat de situatie van de werknemer niet dusdanig van de ontslagen collega's afwijkt dat afwijking van het Sociaal Plan gerechtvaardigd is. De werknemer stelt hiertegen cassatieberoep in; de werkgever stelt incidenteel cassatieberoep in. In het incidentele cassatieberoep betoogt de werkgever dat de werknemer als vakbondslid aan het Sociaal Plan is gebonden daar dit plan heeft te gelden als vaststellingsovereenkomst ten aanzien van de gevolgen van het ontslag en dat het Sociaal Plan is bedoeld als CAO. Het principale cassatieberoep richt de werknemer o.m. tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn specifieke situatie geen afwijking van het Sociaal Plan rechtvaardigde. De Hoge Raad overweegt in het incidentele cassatieberoep dat in feitelijke aanleg geen beroep op het bestaan van een vaststellingsovereenkomst is gedaan. Onder omstandigheden kan onder "arbeidsvoorwaarden" bij een CAO ook een afvloeiingsregeling in het kader van een sociaal plan worden verstaan, doch de door het middel zijdelings opgeworpen vraag of ook het onderhavige Sociaal Plan als zodanig moet worden opgevat, moet daarom ontkennend worden beantwoord omdat niet is gesteld of gebleken dat in het onderhavige geval is voldaan aan art. 4 Wet op de loonvorming, dat in lid 3 bepaalt dat een CAO eerst in werking treedt vanaf de in lid 2 bedoelde kennisgeving. De Hoge Raad overweegt in het principale cassatieberoep dat de rechtbank bij het oordeel dat afwijking van het Sociaal Plan niet gerechtvaardigd is onder meer heeft laten meewegen dat bij de werkgever een tweede reorganisatie is gevolgd en dat in het kader daarvan de zogenoemde PTP-toeslag per 1 januari 1996 is afgeschaft. Niet blijkt evenwel of de rechtbank heeft onderzocht of deze omstandigheden op het tijdstip van de ingang van het ontslag (31-10-1995) konden worden verwacht (HR 17-10-1997, Schoonderwoert/Schoonderwoerd, RvdW 1997, 197, NJ 1999, 266, JAR 1997, 245, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 146)

Verder lezen
Terug naar overzicht