Naar de inhoud

JIN 2017/98, Rechtbank Gelderland 05-04-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:2413, C/05/307574 HA ZA 16-433 (met annotatie van E.E.G. Gepken-Jager)

Inhoudsindicatie

Personenvennootschappen, Aansprakelijkheid vennoot vof. Schulden van de vof ten tijde van toetreding vennoot, Hoekzema-arrest (‘Carlande’)

Samenvatting

Vennoot van een vof is hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de vof die ten tijde van zijn toetreding reeds bestonden. Uitgetreden vennoot blijft aansprakelijk voor schuld van inmiddels failliete vof.

In het onderhavige geschil ligt de vraag voor of een nieuwe vennoot in een vennootschap onder firma (vof) is aan te spreken voor de schulden die de vennootschap reeds had op het moment van aantreden.

In het zogenoemde Hoekzema-arrest (ECLI:NL:HR:2015:588) heeft de Hoge Raad art. 18 Wetboek van Koophandel (WvK) als volgt uitgelegd. Art. 18 WvK bepaalt voor de vennootschap onder firma dat elk der vennoten hoofdelijk verbonden is “wegens de verbintenissen der vennootschap”. Daarin valt geen beperking te lezen tot verbintenissen van de vennootschap die zijn ontstaan nadat een vennoot is toegetreden. Voorts brengt de strekking van art. 18 WvK mee dat de hoofdelijke verbondenheid van de vennoten alle schulden betreft die ten tijde van hun toetreding tot de vennootschap bestaan, of nadien ontstaan. Deze bepalingen beogen immers de schuldeisers van een vennootschap onder firma te beschermen in een situatie waarin het (van dat van de vennoten) afgescheiden vennootschapsvermogen ontoereikend is om aan alle verbintenissen van de vennootschap te voldoen, door hun een verhaalsmogelijkheid te geven op het vermogen van de vennoten zelf.

De omstandigheid dat bij deze wetsuitleg de bestaande schuldeisers van de vennootschap er met de toetreding van een nieuwe vennoot een verhaalsmogelijkheid bij krijgen, maakt dit niet anders. Daarvoor bestaat een deugdelijke grond, te weten dat deze schuldeisers een rechtsbetrekking zijn aangegaan met een vennootschap voor de verbintenissen waarvan de vennoten krachtens de wet persoonlijk instaan. Het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoten van een vennootschap onder firma voor bij hun toetreden reeds bestaande verbintenissen van de vennootschap dient bovendien de rechtszekerheid. Een onderzoek naar het ontstaansmoment van verbintenissen van de vennootschap, met het oog op de vraag welke vennoot of vennoten daarvoor kan of kunnen worden aangesproken, kan dan immers achterwege blijven.

Uitspraak

Rechtbank:

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 november 2016

- het proces-verbaal van comparitie van 8 februari 2017.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. In 2014 en 2015 heeft [eiser] c.s. zakelijke betrekkingen onderhouden en geld geïnvesteerd in verschillende vennootschappen van de heer [naam 1], die alleen of samen met derden (middellijk) bestuurder dan wel vennoot was van deze vennootschappen.

2.2. Een van deze vennootschappen was de vennootschap onder firma [naam 1] Poolse winkel vof (hierna: de Vof). Sinds haar oprichting per 23 september 2010 waren [naam 1] en zijn echtgenote vennoten van de Vof en vanaf 6 december 2010 trad ook de heer [naam 2] als vennoot toe.

2.3. Per 1 maart 2016 is [naam 2] uitgetreden als vennoot en op 2 maart 2016 zijn vervolgens [naam 1] en zijn echtgenote ieder als vennoot uitgetreden en op diezelfde datum zijn N&B Holding BV (waarvan [naam 1] en zijn echtgenote bestuurders zijn) en CvV toegetreden als vennoten. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel zijn beide vennoten onbeperkt bevoegd de Vof te vertegenwoordigen. De heer [naam 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van CvV.

2.4. Op 4 april 2016 is CvV vervolgens weer uitgetreden als vennoot waarvan opgave is gedaan bij de Kamer van Koophandel. Daarbij is als uittredingsdatum 3 maart 2016 vermeld.

2.5. Op grond van een schriftelijke geldleningsovereenkomst van 30 december 2015 gesloten tussen [eiser] c.s. en de heer [naam 1] en vier van zijn vennootschappen (waaronder niet de Vof) heeft [eiser] c.s. een bedrag van € 435.465,= te vermeerderen met rente van hen te vorderen.

2.6. Bij geregistreerde stampandakte van 19 februari 2015 hebben [naam 1] en een zevental vennootschappen, waaronder de Vof, gezamenlijk in de akte aangeduid als ‘pandgever’ verschillende pandrechten verstrekt aan [eiser] c.s. als pandhouder ter meerdere zekerheid voor de vordering als bedoeld in 2.5 en voor alle vorderingen die op dat moment bestaan en nog zullen worden verkregen voortkomend uit de rechtsverhoudingen die tussen de partijen bij de akte bestaan.

2.7. Op enig moment heeft [eiser] c.s. naast de onder 2.5 bedoelde geldlening nog een bedrag van € 270.000,= in hoofdsom van pandgever te vorderen gekregen.

2.8. Bij brief van 22 februari 2016 van de raadsman van [eiser] c.s. is aan de pandgever (op grond van artikel 4.9 van de geldleningsovereenkomst en artikel 9 van de pandakte) verzocht aanvullende zekerheid te stellen vóór 25 februari 2016. De aanvullende zekerheid is niet verleend voor het verstrijken van deze termijn.

2.9. Bij brief van 29 februari 2016 is namens [eiser] c.s. aanspraak gemaakt op onmiddellijke betaling van het bedrag van € 435.465,= te vermeerderen met rente.

2.10. Bij verzoekschrift van 8 maart 2016 heeft [eiser] c.s. een verzoek ex artikel 492 en 496 lid 2 Rv ingediend bij de voorzieningenrechter tot het verkrijgen van verlof tot afgifte aan de pandhouder.

2.11. Op 10 maart 2016 heeft de voorzieningenrechter voorlopig verlof verleend tot het leggen van beslag tot het verkrijgen van afgifte ex artikel 492 Rv. Op 16 maart 2016 heeft de mondelinge behandeling daarover bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van 16 maart 2016 is daar ten overstaan van de voorzieningenrechter tussen de partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Bij die zitting werd [eiser] c.s. als pandhouder bijgestaan door haar advocaat en werden de acht pandgevers waaronder de Vof (gezamenlijk in het proces-verbaal aangeduid als ‘pandgever’), vertegenwoordigd door [naam 1], eveneens bijgestaan door een advocaat.

2.12. De vaststellingsovereenkomst behelst onder meer de volgende artikelen:

1) Partijen zijn het er over eens dat de vordering van pandhouder op pandgever totaal € 740.738,25 bedraagt te vermeerderen met rente hierover van 5% per jaar.

2) Pandgever zal voor 17 maart 2016 ten aanzien van de geldlening van € 435.465,= een bedrag van € 5000,= overboeken op het rekeningnummer van [eiser] c.s.

3) Pandgever zal met ingang van 24 maart 2016 iedere donderdag ter zake van dezelfde lening € 500,= per week aflossen, waarbij na drie maanden een herziening zal plaatsvinden, met dien verstande dat het aflossingsbedrag niet minder zal worden.

4) Alle bepalingen uit de overeenkomst van geldlening ten bedrage van € 435.465,= en de pandakte blijven, met in achtneming van al het in deze schikking overeengekomene tussen partijen van kracht. (...)

6) Zonder schriftelijke instemming van pandhouder worden in pandgever geen activiteiten uitgebreid en/of gestaakt en/of overgedragen en/of wordt geen indeplaatsstelling bewerkstelligd.

(...)

9) Indien pandgever enige betaling niet tijdig en volledig doet zal terstond de gehele uitstaande vordering opeisbaar zijn.

2.13. Met uitzondering van een betaling van € 5000,= op 17 maart 2016 is pandgever de verplichtingen zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst niet (volledig) nagekomen.

2.14. Op 30 maart 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] c.s., vertegenwoordigd door de heer [eiser] en bijgestaan door haar raadsman enerzijds en [naam 1], [naam 3] en een raadsman anderzijds. In deze bijeenkomst stelde [naam 3] voor zich als schuldenaar hoofdelijk te verbinden voor de schuld van € 270.000,= in hoofdsom, waarbij een bedrag van € 15.000,= ineens zou worden voldaan en vervolgens maandelijks steeds € 10.000,=. Over dit voorstel hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken.

2.15. Bij brief van 28 april 2016 heeft de raadsman van [eiser] c.s. CvV als vennoot van de Vof gesommeerd tot betaling van het bedrag van de vaststellingsovereenkomst. Betaling is uitgebleven.

2.16. Op 27 mei 2016 is de Vof failliet verklaard, met benoeming van mr. P.C. Nieuwenhuizen als curator.

3 Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vordert samengevat - veroordeling van CvV tot betaling van € 735.738,25 te vermeerderen met de contractuele rente daarover van 5% per jaar vanaf 17 maart 2016 en de buitengerechtelijke kosten van € 500,= vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag de algehele voldoening, met veroordeling in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.2. CvV voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. [eiser] c.s. heeft aanspraak gemaakt op betaling van het bedrag van € 735.738,25 waarover [eiser] c.s. als pandhouder en (onder meer) de Vof als pandgever een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten (zie 2.12).

4.2. CvV heeft betoogd dat [eiser] c.s. niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de Vof inmiddels failliet is verklaard zodat [eiser] c.s. zich tot de curator moet wenden. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij niet gebonden kan zijn aan de overeenkomsten die [naam 1] namens de Vof met [eiser] c.s. heeft gesloten omdat deze de bevoegdheden van [naam 1] als ‘bestuurder’ blijkens de vof-akte te boven gaan. Weliswaar is die vof- akte niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel maar bij een dergelijk hoog bedrag mag van [eiser] c.s. worden verwacht dat zij controleert of haar contractspartij tekeningsbevoegd is. Voorts heeft zij betoogd dat CvV alleen aangesproken kan worden voor een schuld van de Vof en dat de vaststellingsovereenkomst waarin een betalingsregeling is vastgelegd niet een schuld betreft van de Vof. In het processtuk van CvV worden de vennoten van de Vof door CvV als ‘bestuurder’ aangeduid. De rechtbank gaat er in het hiernavolgende vanuit dat vennoot zal zijn bedoeld.

4.3. Het verweer van CvV dat het faillissement van de Vof tot de niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. moet leiden wordt verworpen. Een personenvennootschap, zoals een vennootschap onder firma, is geen rechtspersoon met een volledig afgescheiden eigen vermogen dat schuldeisers verhaal kan bieden. Het vermogen van de vof is hetgeen de vennoten op grond van een vennootschapsovereenkomst in de personenvennootschap hebben ingebracht. Als dit vermogen onvoldoende is om de schulden van de vof te kunnen voldoen, zijn de vennoten naast de vof hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vof. Het faillissement van de vof brengt daar voor een voormalig vennoot geen verandering in, zodat [eiser] c.s. zich niet exclusief tot de curator moet wenden, zoals CvV kennelijk betoogt.

4.4. In het onderhavige geschil ligt de vraag voor of een nieuwe vennoot in een vennootschap onder firma (vof) is aan te spreken voor de schulden die de vennootschap reeds had op het moment van aantreden.

4.5. In het zogenoemde Hoekzema-arrest (ECLI:NL:HR:2015:588) heeft de Hoge Raad artikel 18 Wetboek van Koophandel (WvK) als volgt uitgelegd. Artikel 18 WvK bepaalt voor de vennootschap onder firma dat elk der vennoten hoofdelijk verbonden is ‘wegens de verbintenissen der vennootschap’. Daarin valt geen beperking te lezen tot verbintenissen van de vennootschap die zijn ontstaan nadat een vennoot is toegetreden. Voorts brengt de strekking van art. 18 WvK mee dat de hoofdelijke verbondenheid van de vennoten alle schulden betreft die ten tijde van hun toetreding tot de vennootschap bestaan, of nadien ontstaan. Deze bepalingen beogen immers de schuldeisers van een vennootschap onder firma te beschermen in een situatie waarin het (van dat van de vennoten) afgescheiden vennootschapsvermogen ontoereikend is om aan alle verbintenissen van de vennootschap te voldoen, door hun een verhaalsmogelijkheid te geven op het vermogen van de vennoten zelf.

4.6. De omstandigheid dat bij deze wetsuitleg de bestaande schuldeisers van de vennootschap er met de toetreding van een nieuwe vennoot een verhaalsmogelijkheid bij krijgen, maakt dit niet anders. Daarvoor bestaat een deugdelijke grond, te weten dat deze schuldeisers een rechtsbetrekking zijn aangegaan met een vennootschap voor de verbintenissen waarvan de vennoten krachtens de wet persoonlijk instaan. Het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoten van een vennootschap onder firma voor bij hun toetreden reeds bestaande verbintenissen van de vennootschap dient bovendien de rechtszekerheid. Een onderzoek naar het ontstaansmoment van verbintenissen van de vennootschap, met het oog op de vraag welke vennoot of vennoten daarvoor kan of kunnen worden aangesproken, kan dan immers achterwege blijven.

4.7. Ter comparitie heeft [eiser] c.s. nader toegelicht hoe de pandakte en de onderliggende vordering destijds tot stand zijn gekomen. Er was sprake van een zogenoemde paraplufinanciering van het aan [naam 1] gelieerde concern van vennootschappen waarin onder meer diverse supermarkten werden geëxploiteerd. In deze financieringsconstructie waren de vennootschappen onderling hoofdelijk verbonden. Uiteindelijk heeft het niet nakomen van de financieringsafspraken geleid tot de pandakte (2.6) en de vaststellingsovereenkomst (2.12). [eiser] c.s. heeft voorts het door CvV gevoerde verweer dat zij slechts als adviseur van [naam 1] optrad en niet kan worden gehouden een door [naam 1] aangegane schuld te betalen, omdat haar rol slechts zeer marginaal was ter zitting gemotiveerd tegen gesproken. Nu CvV hoewel behoorlijk opgeroepen niet ter zitting is verschenen zal bij gebreke van een nadere betwisting van de ter zitting door [eiser] c.s. gegeven toelichting worden uitgegaan.

4.8. Bij het tekenen van de vaststellingsovereenkomst bij de voorzieningenrechter werden de verschillende vennootschappen bijgestaan door een advocaat die heeft ingestaan voor de tekeningsbevoegdheid van [naam 1], zoals ook achter de naam van [naam 1] op de vaststellingsovereenkomst tussen haakjes is vermeld, namelijk ‘bevoegd te tekenen namens pandhouder’. Bovendien is na het tekenen van die akte nog overleg geweest tussen [eiser] c.s. en onder meer de heer [naam 3] van CvV. Bij dat overleg heeft [naam 3] het betalingsvoorstel als bedoeld in rechtsoverweging 2.14 gedaan en hij heeft zich op dat moment voor een deel van de schuld hoofdelijk willen verbinden. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat [eiser] c.s. erop bedacht moest zijn dat [naam 1] zijn tekeningsbevoegdheid had overschreden. Het feit dat de vof-akte, waarin een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennoten was opgenomen, niet was ingeschreven in de Kamer van Koophandel dient voor rekening en risico van CvV te blijven. Uit artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst volgt dat de vordering op (onder meer) de Vof op 16 maart 2016 € 740.738,25 bedroeg en dat daarover een contractuele rente van 5% per jaar was verschuldigd. Op dat moment was CvV vennoot van de Vof en uit hetgeen hiervoor onder 4.5 en 4.6 is overwogen volgt dat zij daarmee hoofdelijk aansprakelijk was voor deze schuld. Het feit dat CvV zich op 4 april 2016 met terugwerkende kracht bij de KvK heeft uitgeschreven tot 3 maart 2016, maakt niet dat daarmee tevens de hoofdelijke aansprakelijkheid over de periode van 3 april tot en met 4 april 2016 met terugwerkende kracht komt te vervallen.

4.9. Nu er op 17 maart 2016 een bedrag van € 5000,= op is afbetaald, bedraagt de openstaande hoofdsom nog € 735.738,25. Deze hoofdsom zal met de gevorderde contractuele rente daarover worden toegewezen. Nu er tegen de ingangsdatum van de contractuele rente geen verweer is gevoerd, zal deze op 17 maart 2016 worden gesteld.

4.10. [eiser] c.s. heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen.

4.11. CvV zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 80,40

- griffierecht 3.903,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2580,=)

Totaal € 9143,40

5 De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt CvV om aan [eiser] c.s. te betalen een bedrag van € 735.738,25 (zevenhonderdvijfendertig duizendzevenhonderdachtendertig euro en vijfentwintig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 5% per jaar daarover met ingang van 17 maart 2016 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt CvV om aan [eiser] c.s. te betalen een bedrag van € 500,= (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 24 augustus 2016 met ingang van 24 augustus 2016 tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt CvV in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] c.s. tot op heden begroot op € 9143,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt CvV in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,= aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat CvV niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,= aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Noot

1. De rechtbank doet in deze zaak uitspraak conform de beslissing van de Hoge Raad in het Hoekzema-arrest (13 maart 2015, nr. 14/00943, ECLI:NL:HR:2015:588, ook wel het Carlande-arrest genoemd). De Hoge Raad heeft hierin de tot dat moment omstreden kwestie beslist over de aansprakelijkheid van de toetredende vennoot voor op het moment van zijn toetreden reeds bestaande verbintenissen van de vennootschap. In deze zaak ging het om een commanditaire vennootschap met één beherende vennoot. In r.o. 3.4.1. en verder oordeelde de Hoge Raad dat de tekst van art. 18 WvK en de strekking van art. 18 en 19 lid 1 WvK meebrengen dat de toetredende vennoot hoofdelijk verbonden kan zijn voor schulden van de vennootschap die betrekking hebben op de periode voor zijn toetreding. In de literatuur bestond voordat de Hoge Raad hierover besliste discussie.1 Voor zowel het wel als het niet aannemen van aansprakelijkheid van de toetredende vennoot voor reeds bestaande schulden zijn goede argumenten te geven. A-G Keus heeft hiervan in zijn conclusie bij het arrest (ECLI:NL:PHR:2015:6) een mooi overzicht gegeven en daarnaast ging hij in op de wetsgeschiedenis, de gedane voorstellen voor een nieuwe regeling voor de personenvennootschappen en opvattingen in de literatuur. Ook ging hij in op de arresten die door de Belgische en Franse hoogste rechterlijke instanties zijn gewezen. In deze twee landen is reeds (veel) eerder een ‘landmark-decision’ over de aansprakelijkheid van toetredende vennoten gewezen. In België heeft het Hof van Cassatie (24 mei 2012, Nr. F. 11.0014.N.) in navolging van het Franse Cour de Cassation (Cass. Fr., 12 maart 1928, S., 1928, 226) het onderscheid tussen nieuwe en voormalige vennoten ten aanzien van hoofdelijke aansprakelijkheid voor bestaande schulden van de hand gewezen. Het Cour de Cassation oordeelde dat de toetreding tot de overeenkomst in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid tot gevolg heeft dat men geacht wordt partij te zijn vanaf het ontstaan van de overeenkomst en dat impliceert dat elke nieuwe vennoot ook aansprakelijk zal zijn voor de schulden die zijn ontstaan vóór zijn toetreding.

2. Interessant is dat in het voorontwerp van Van der Grinten voor een wettelijke regeling ter vervanging van de uit 1838 stammende regeling van de maatschap en de vennootschap in het BW en het WvK in 1972 in art. 7.13.1.6 lid 2 ervoor is gekozen de nieuwe vennoot die tot de vennootschap toetreedt, slechts aansprakelijk te houden voor de verbintenissen die na zijn toetreden ontstaan. Ook in het in 2011 ingetrokken voorstel tot vaststelling van een nieuwe titel 7.13 BW (vennootschap) is in art. 824 lid 2 vastgehouden aan de benadering van het Ontwerp-Van der Grinten. Art. 824 lid 2 was expliciet beperkt tot na toetreding ontstane schulden. Art. 824 lid 2 bepaalde dat een vennoot die toetreedt of opvolgt, slechts verbonden is voor de verbintenissen die ná zijn toetreding of opvolging zijn ontstaan. In de MvT is bepaald dat voor het aanvaarden van hoofdelijke verbondenheid van toetredende vennoten voor op het moment van hun toetreden reeds bestaande verbintenissen van de vennootschap geen deugdelijke grond kan worden aangewezen.2 Ook in het rapport van de Werkgroep Personenvennootschappen3 van juni 2016 is in plaats van het richtsnoer van de Hoge Raad in het Hoekzema-arrest over te nemen, ervoor gekozen de toetredende vennoot slechts aansprakelijk te houden voor schulden waartoe de personenvennootschap zich heeft verbonden en die opeisbaar zijn geworden na zijn toetreden (art. 19 lid 4).

3. De feiten in onderhavige zaak waren als volgt. Poolse winkel vof (hierna: de vof) is op 23 september 2010 opgericht. De vof heeft twee vennoten X (naam 1) en zijn echtgenote. Op 6 december 2010 trad Y toe als vennoot totdat hij op 1 maart 2016 uittrad. Op 2 maart 2016 zijn X en zijn echtgenote uitgetreden als vennoot, waarop N&B Holding B.V. en CvV zijn toegetreden als vennoten. X en Y zijn bestuurders van N&B Holding B.V. Z (naam 3) is enig aandeelhouder en bestuurder van CvV. In het handelsregister is ingeschreven dat beide vennoten van de vof onbeperkt vertegenwoordigingsbevoegd zijn. Op 4 april 2016 is CvV uitgetreden als vennoot waarvan opgave is gedaan bij de Kamer van Koophandel. In het handelsregister is 3 maart 2016 vermeld als uittredingsdatum. Er is op 30 december 2015 een schriftelijke geldleningsovereenkomst gesloten, tussen eiser enerzijds en X en vier van zijn vennootschappen anderzijds – maar daaronder niet de vof – op grond waarvan eiser € 435.465,= vordert, te vermeerderen met rente. Op 19 februari 2016 hebben X en een zevental andere vennootschappen waaronder de vof (gezamenlijk aangeduid als pandgever) pandrechten verstrekt aan eiser als pandhouder ter meerdere zekerheid van de vordering van eiser op grond van de geldlening. Vervolgens heeft eiser nog eens een bedrag van € 270.000,= te vorderen gekregen van pandgever. Eiser heeft daarna op 22 februari 2016 verzocht om extra zekerheid, maar deze is niet verleend. Op 16 maart 2016 is een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen ten overstaan van de voorzieningenrechter tussen pandgever en pandhouder. Met uitzondering van betaling van een bedrag van € 5000,= is pandgever op 17 maart 2016 de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst niet nagekomen. Bij brief van 28 april 2016 heeft eiser CvV als vennoot van de vof gesommeerd tot betaling van het bedrag van de vaststellingsovereenkomst. Betaling is uitgebleven. Op 27 mei 2016 is de vof failliet verklaard.

4. De rechtbank formuleert als eerste de vraag die in casu centraal staat (r.o. 4.4.). Kan CvV als nieuwe vennoot in een vof aansprakelijk worden gesteld voor de schulden die de vennootschap reeds (de schuld deels ontstaan bij overeenkomst van 30 december 2015 en deels (te weten € 270.000,=) ontstaan na 30 december 2015 en vóór 22 februari 2016) had op het moment van zijn toetreden? Met betrekking tot deze schulden is op 16 maart 2016 de vaststellingsovereenkomst overeengekomen. De rechtbank knoopt aan bij het Hoekzema-arrest (ECLI:NL:HR:2015:588). De Hoge Raad heeft uitgelegd dat in het bepaalde in art. 18 WvK dat elk der vennoten hoofdelijk verbonden is “wegens de verbintenissen der vennootschap” geen beperking is te lezen tot verbintenissen van de vennootschap die zijn ontstaan nadat een vennoot is toegetreden. Vervolgens neemt de rechtbank in r.o. 4.5. en 4.6 het vervolg van r.o. 3.4.3. en ook r.o. 3.4.5 van het arrest van de Hoge Raad over. Art. 18 WvK bepaalt voor de vennootschap onder firma dat elk der vennoten hoofdelijk verbonden is “wegens de verbintenissen der vennootschap”. Deze bepaling is niet beperkt tot verbondenheid tot verbintenissen van de vennootschap die zijn ontstaan nadat een vennoot is toegetreden. Ook brengt de strekking van art. 18 en 19 lid 1 WvK mee dat de hoofdelijke verbondenheid van de vennoten alle schulden betreft die ten tijde van hun toetreding tot de vennootschap bestaan, of nadien ontstaan (r.o. 3.4.3. Hoekzema-arrest). De achtergrond hiervan is de bescherming van de schuldeisers van een vennootschap onder firma ingeval het afgescheiden vennootschapsvermogen ontoereikend is om aan alle verbintenissen van de vennootschap te voldoen. De schuldeisers hebben als gevolg van art. 18 WvK een verhaalsmogelijkheid op het vermogen van de vennoten zelf. De bestaande schuldeisers krijgen er met de toetreding van een nieuwe vennoot een extra verhaalsmogelijkheid bij. En hieraan ten grondslag ligt de ‘deugdelijke grond’ dat deze schuldeisers een rechtsbetrekking zijn aangegaan met een vennootschap voor de verbintenissen waarvan de vennoten krachtens de wet persoonlijk instaan. Bovendien dient het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoten van de vof de rechtszekerheid omdat een onderzoek naar het ontstaansmoment van verbintenissen van de vennootschap, met het oog op de vraag welke vennoot of vennoten daarvoor kan of kunnen worden aangesproken, achterwege kan blijven (r.o. 3.4.5. Hoekzema-arrest).

In r.o. 3.4.6 heeft de Hoge Raad in het Hoekzema-arrest over de belangen van de toetredende vennoot overwogen dat daaraan in voldoende mate wordt toegekomen omdat hij kan bedingen dat hem inzage wordt gegeven in de schuldenpositie van de vennootschap, of dat hij in de gelegenheid wordt gesteld er zelf onderzoek naar te doen. En hij kan ook altijd garanties bedingen van de overige vennoten en afspraken maken over de draagplicht ten aanzien van de bestaande schulden. Van Schilfgaarde vindt het niet realistisch dit van de toetredende vennoten te verwachten. De toetredende vennoten zijn meestal niet in de positie garanties te bedingen. Vaak is toetreden een beloning voor een verdienstelijk dienstverband. De zittende vennoten zullen alsdan de toetredende vennoot zien aankomen.4 Ik denk dat Van Schilfgaarde het juist ziet dat het in de praktijk ‘makkelijker is gezegd dan gedaan’ dergelijk onderzoek te doen en garanties te kunnen bedingen.

5. Volgens de Hoekzema-regel is CvV als toetredende vennoot aansprakelijk voor de schulden die de vof al had op het moment dat hij toetrad (2 maart 2016), te weten de schulden uit de overeenkomst van 30 december 2015 en die erbij kwamen op enig moment vóór 22 februari 2016. Voor de verplichtingen voortvloeiende uit de vaststellingsovereenkomst van 16 maart is CvV als ware hij vennoot aansprakelijk omdat CvV op dat moment als vennoot van de vof stond ingeschreven. Op grond van art. 25 Hregw moet de wederpartij van de vof immers af kunnen gaan op hetgeen in het handelsregister is opgenomen. Uit de feiten bleek niet dat eiser uit anderen hoofde op de hoogte was van CvV’s uittreding. Interessant is dat CvV, als deze op 28 april 2016 aangesproken wordt, reeds weer is uitgetreden. CvV had, zoals ik de feiten interpreteer, de intentie slechts één dag vennoot te zijn – van 2 tot en met 3 maart 2016 – maar hij deed pas opgave van zijn uittreding bij de Kamer van Koophandel op 4 april 2016.

CvV had zich direct op het moment van zijn uittreding op 2 maart 2016 moeten uitschrijven uit het Handelsregister. Een uittredende vennoot zal niet verbonden zijn voor verbintenissen van de vennootschap die zijn ontstaan na zijn uittreding, behoudens in het geval dat de derde onbekend was met de uittreding en de uittreding niet in het handelsregister was ingeschreven.5 Een uitgetreden vennoot moet zich uitschrijven uit het Handelsregister en zolang dat niet is gebeurd, blijft hij jegens derden aansprakelijk voor schulden na uittreding ontstaan.6 Op grond van het voorgaande kan eiser CvV aanspreken tot betalingen die voortvloeien uit de vaststellingsovereenkomst van 16 maart 2016 omdat pas uitschrijving is gedaan op 4 april 2016 (zie r.o. 4.8 van de uitspraak).

Had CvV zich wel meteen op 3 maart 2016 als vennoot uitgeschreven, dan lagen de kaarten anders. In beginsel heeft uittreden van een vennoot niet tot effect dat hij jegens derden ontheven wordt van aansprakelijkheid voor verbintenissen van de vennootschap die ten tijde van zijn uittreden bestaan. Maar in dat geval was CvV niet aansprakelijk te stellen door eiser voor de schulden uit december en die ontstaan zijn vóór 22 februari 2016 omdat dit geen verbintenissen betreffen die voor zijn uittreden namens de vennootschap zijn aangegaan.7 De uitgetreden vennoot blijft immers persoonlijk aansprakelijk voor de vóór zijn uittreden mede namens hem aangegane verbintenissen8 Van dat laatste was geen sprake omdat CvV pas na het ontstaan van deze verbintenissen is toegetreden. Eiser kan overigens voorts Y, die vennoot was van 6 december 2010 totdat hij op 1 maart 2016 uittrad, aanspreken voor de schulden van de vof voortvloeiend uit de overeenkomst van 30 december 2015 en die ontstonden op enig moment vóór 22 februari 2016.

6. Ten slotte gaat de rechtbank in op het verweer van CvV dat eiser c.s. erop bedacht moest zijn dat X zijn tekeningsbevoegdheid had overschreden. In het handelsregister was openbaar gemaakt dat beide vennoten van de vof onbeperkt vertegenwoordigingsbevoegd waren (ex art. 17 lid 1 WvK). Het feit dat in de overeenkomst van vennootschap een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid ex art. 17 lid 2 WvK was opgenomen biedt CvV geen soelaas omdat, nu dit niet is ingeschreven in het handelsregister, hierop geen beroep kan worden gedaan jegens derden.9 X heeft de vof bevoegd vertegenwoordigd en de vof aan de vaststellingsovereenkomst van 16 maart 2016 gebonden.

E.E.G. Gepken-Jager, Rijksuniversiteit Groningen

Voetnoten

1
Zie Asser-Maeijer, 5-V, nr. 279 en 280.
2
Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 44.
3
www.rechten.vu.nl/nl/Images/rapport_personenvennootschappen_tcm247-76795, zie hierover H.E. Boschma & J.B. Wezeman, ‘Het rapport van de Werkgroep Personenvennootschappen’, Ondernemingsrecht 2016/85, p. 430-433.
4
P. van Schilfgaarde, noot onder Hoekzema, HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588, NJ 2015/241.
5
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 43.
6
Zie A.L. Mohr bewerkt door Victor Meijers, Van maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Kluwer 2009, p. 296.
7
Zie A.L. Mohr, Van maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Gouda Quint BV, 1998, p. 218; A.L. Mohr, bewerkt door Victor Meijers, Van maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Kluwer 2009, p. 295.
8
Zie Asser-Maeijer, 5-V, nr. 264.
9
Zie Asser-Maeijer, 5-V, nr. 136.
Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak05-04-2017
PublicatieJIN 2017/98 (Sdu Jurisprudentie in Nederland), aflevering 5, 2017
Annotator
  • E.E.G. Gepken-Jager
ECLIECLI:NL:RBGEL:2017:2413
ZaaknummerC/05/307574 HA ZA 16-433
Overige publicaties
  • ECLI:NL:RBGEL:2017:2413
  • OR-Updates.nl 2017-0152
  • AR 2017/2248
  • INS-Updates.nl 2017-0200
RechtsgebiedOndernemingsrecht
Rubriek Ondernemingsrecht
Rechters
  • mr. De Waele
Partijen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd te Poeldijk, gemeente Westland,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Delice B.V.,
gevestigd te Poeldijk, gemeente Westland,
eiseressen,
advocaat mr. F.J. Hordijk te Naaldwijk,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CvV Beheer B.V.,
gevestigd te Eck en Wiel, gemeente Buren,
gedaagde,
advocaat mr. A.J.A.M. Veen-Brom BSc. te Culemborg.
 
Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en CvV genoemd worden.
Regelgeving
  • WvK - 18