JOM 2017/448, RvS 03-05-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1198, 201600357/1/A3

Inhoudsindicatie

Indienen van 56 Wob-verzoeken en is spraken van misbruik van recht?

Samenvatting

Appellant heeft zijn bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen en zijn recht beroep tegen het besluit op bezwaar in te stellen, niet misbruikt. De door appellant verlangde stukken behoren niet tot het dossier waarover de strafrechter beschikt, althans behoorden daar niet toe op het moment waarop de verzoeken zijn gedaan. Gelet hierop is het niet onredelijk dat appellant zich tot de Belastingdienst heeft gewend met het verzoek tot openbaarmaking van deze stukken op grond van de Wob.

In de periode van 20 februari 2014 tot en met 17 november 2014 heeft appellant 56 verzoeken om informatie op grond van de Wob bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft de verzoeken vanaf het 17e verzoek zonder inhoudelijke beoordeling afgewezen. Volgens de Belastingdienst kwalificeert de handelwijze van appellant gelet op het grote aantal verzoeken, de korte tijd tussen de verzoeken en de aard van de verzoeken als misbruik van recht als bedoeld in artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. De afdoening van de verzoeken kost volgens de Belastingdienst disproportioneel veel tijd. De rechtbank heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat appellant zijn verzoeken heeft ingediend zonder redelijk doel. Appellant betoogt in zijn hogerberoepschrift dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen en beroep tegen het besluit van 9 oktober 2014 in te stellen. In de eerste plaats voert appellant daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft onderzocht met welk doel hij de Wob-verzoeken heeft ingediend. Dit staat haaks op artikel 3, lid 3 van de Wob, waarin is bepaald dat bij het indienen van een Wob-verzoek geen belang hoeft te worden gesteld. In de tweede plaats voert appellant daartoe aan dat de rechtbank een onjuist oordeel over dit doel heeft gegeven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst, maar is daar op 21 juni 2012 ontslagen in verband met een verdenking van strafbare feiten. Bij vonnis van 21 januari 2013 is appellant voor deze strafbare feiten veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf. Appellant heeft hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. Op dit hoger beroep is nog niet beslist. Ter zitting bij de Afdeling heeft appellant erkend dat hij om openbaarmaking van de stukken heeft verzocht ten behoeve van deze strafrechtelijke procedure. De door appellant verlangde stukken behoren niet tot het dossier waarover de strafrechter beschikt, althans behoorden daar niet toe op het moment waarop de verzoeken zijn gedaan. Gelet hierop is het niet onredelijk dat appellant zich tot de Belastingdienst heeft gewend met het verzoek tot openbaarmaking van deze stukken op grond van de Wob. Dat appellant in de strafprocedure wellicht mogelijkheden had om te bewerkstelligen dat de stukken aan het dossier werden toegevoegd, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat hij zijn bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen heeft aangewend zonder redelijk doel. Ook het aantal en de aard van de verzoeken bieden onvoldoende grond voor dit oordeel. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat appellant zijn bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen en zijn recht beroep tegen het besluit van 9 oktober 2014 in te stellen, heeft misbruikt. De rechtbank heeft het beroep van appellant ten onrechte wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk verklaard.

Bron: www.rechtspraak.nl

Uitspraak

Procesverloop

14/4611: Bij besluit van 15 mei 2014 heeft de Belastingdienst 2 verzoeken van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) toegewezen.

Bij besluiten van 3 juni, 24 juni, 1 juli en 4 juli 2014 heeft de Belastingdienst 17 verzoeken van [appellant] om informatie op grond van de Wob afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft de Belastingdienst de door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

15/1421: Bij besluiten van 4 augustus, 19 augustus, 26 augustus en 2 oktober 2014 heeft de Belastingdienst 11 verzoeken van [appellant] om informatie op grond van de Wob afgewezen.

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

15/1422: Bij besluit van 14 november 2014 heeft de Belastingdienst 5 verzoeken van [appellant] om informatie op grond van de Wob afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2015 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

14/4611, 15/1421 en 15/1422: Bij uitspraak van 8 december 2015 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 9 oktober 2014, 6 januari 2015 en 10 februari 2015 ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2017, waar [appellant] en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. W.J.G. van Duijn en drs. E. Velsink, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. In de periode van 20 februari 2014 tot en met 17 november 2014 heeft [appellant] 56 verzoeken om informatie op grond van de Wob bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft de verzoeken vanaf het 17e verzoek zonder inhoudelijke beoordeling afgewezen. Volgens de Belastingdienst kwalificeert de handelwijze van [appellant] gelet op het grote aantal verzoeken, de korte tijd tussen de verzoeken en de aard van de verzoeken als misbruik van recht als bedoeld in artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. De afdoening van de verzoeken kost volgens de Belastingdienst disproportioneel veel tijd.

Omvang van het geschil

2. [appellant] heeft in hoger beroep te kennen gegeven dat hij zich in hoger beroep slechts richt tegen de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij is geoordeeld over zijn beroep in zaak nr. 14/4611, tegen het besluit van 9 oktober 2014.

Besluitvorming in zaak nr. 14/4611

3. De zaak met nr. 14/4611 heeft betrekking op 19 Wob-verzoeken van [appellant]. Deze verzoeken zien onder meer op notulen van diverse vergaderingen, het Handboek Omzetbelasting zoals dat van toepassing was in 2010, documenten die inzicht geven in de reorganisatie in 2011, de in 2010, 2011 en 2012 toegekende bijzondere beloningen, de storingsmeldingen ten aanzien van een laptop die bij hem in gebruik is geweest en het rapport IC-compilatie. Bij besluit van 15 mei 2014 heeft de Belastingdienst twee verzoeken toegewezen. Bij besluiten van 3 juni, 24 juni, 1 juli en 4 juli 2014 heeft de Belastingdienst 17 verzoeken afgewezen, omdat [appellant] volgens hem misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen. In het besluit van 9 oktober 2014 heeft de Belastingdienst de bezwaren die [appellant] tegen deze besluiten heeft gemaakt, wegens misbruik van recht ongegrond verklaard.

Aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat [appellant] zijn verzoeken heeft ingediend zonder redelijk doel. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de veelheid van de verzoeken, de diversiteit van de informatie die hij wenst te ontvangen en zijn verklaringen over de reden waarom hij de informatie nodig heeft. [appellant] heeft verklaard dat hij de informatie nodig heeft omdat hij het werkklimaat mist. De door hem verzochte informatie omvat evenwel meer dan voor zijn normale werkomgeving nodig zou zijn. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het er alle schijn van heeft dat [appellant] de gevraagde informatie wenst te gebruiken voor de strafzaak die tegen hem loopt. Als hij in dit kader informatie wil ontvangen, kan hij de middelen gebruiken die het Wetboek van Strafvordering en de daarop gebaseerde regelgeving hem bieden. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid verzoeken in te dienen op grond van de Wob. Hetzelfde geldt volgens de rechtbank voor het gebruik van de bevoegdheid beroep in te stellen. Om die reden heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 9 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard.

Hoger beroep

5. [appellant] betoogt in zijn hogerberoepschrift dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen en beroep tegen het besluit van 9 oktober 2014 in te stellen. In de eerste plaats voert [appellant] daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft onderzocht met welk doel hij de Wob-verzoeken heeft ingediend. Dit staat haaks op artikel 3, derde lid, van de Wob, waarin is bepaald dat bij het indienen van een Wob-verzoek geen belang hoeft te worden gesteld. In de tweede plaats voert [appellant] daartoe aan dat de rechtbank een onjuist oordeel over dit doel heeft gegeven. [appellant] wijst er in dit verband op dat de Belastingdienst voor het eerst op de zitting bij de rechtbank heeft gesteld dat het merendeel van de Wob-verzoeken betrekking heeft op de strafzaak. De rechtbank is ten onrechte, zonder dat zij de opgevraagde informatie heeft bezien, uitgegaan van de juistheid van de stelling van de Belastingdienst, aldus [appellant].

Oordeel van de Afdeling

6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

Artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

6.1. [appellant] was werkzaam bij de Belastingdienst, maar is daar op 21 juni 2012 ontslagen in verband met een verdenking van strafbare feiten. Bij vonnis van 21 januari 2013 is [appellant] voor deze strafbare feiten veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf. [appellant] heeft hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. Op dit hoger beroep is nog niet beslist. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] erkend dat hij om openbaarmaking van de stukken heeft verzocht ten behoeve van deze strafrechtelijke procedure.

6.2. De door [appellant] verlangde stukken behoren niet tot het dossier waarover de strafrechter beschikt, althans behoorden daar niet toe op het moment waarop de verzoeken zijn gedaan. Gelet hierop is het niet onredelijk dat [appellant] zich tot de Belastingdienst heeft gewend met het verzoek tot openbaarmaking van deze stukken op grond van de Wob. Dat [appellant] in de strafprocedure wellicht mogelijkheden had om te bewerkstelligen dat de stukken aan het dossier werden toegevoegd, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat hij zijn bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen heeft aangewend zonder redelijk doel. Ook het aantal en de aard van de verzoeken bieden onvoldoende grond voor dit oordeel.

6.3. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] zijn bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen en zijn recht beroep tegen het besluit van 9 oktober 2014 in te stellen, heeft misbruikt. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ten onrechte wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

7. Het hoger beroep is gegrond. De overige beroepsgronden van [appellant] behoeven geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep in zaak nr. 14/4611 tegen het besluit van 9 oktober 2014 niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 9 oktober 2014 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

7.1. Dit betekent dat de Belastingdienst opnieuw op de bezwaren van [appellant] tegen de besluiten van 15 mei, 3 juni, 24 juni, 1 juli en 4 juli 2014 dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

7.2. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 december 2015 in zaken nrs. 14/4611, 15/1421 en 15/1422, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2014, kenmerk Wob/ v/d Weit, niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2014 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van Belastingdienst van 9 oktober 2014;

V. gelast dat Belastingdienst aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 416,= (zegge: vierhonderdzestien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Bron: www.rechtspraak.nl

Verder lezen
Terug naar overzicht