Nogmaals de verplichte medewerking aan een HIV-test
Inleiding
Op 12 december van het vorige jaar deed de Hoge Raad uitspraak in een geschil tussen een arts-assistent kaakchirurgie en een patiënt tussen wie per ongeluk bloed-opbloed-contact had plaatsgevonden.1 De vraag die hierbij centraal stond was óf, en zo ja, in hoeverre de "ongewilde ontvanger" van het bloed van een ander, die ander kan verplichten mee te werken aan een onderzoek om vast te stellen of diens bloed is besmet met het HIV-virus, dat de ziekte AIDS veroorzaakt.
In 1993 maakte de Hoge Raad reeds uit dat als het bloed- contact op onrechtmatige wijze is veroorzaakt door de ander - in casu door verkrachting - deze inderdaad verplicht kan worden zijn medewerking te verlenen. Het beroep van de verkrachter op de in artikel 11 Gw neergelegde onaantastbaarheid van zijn lichamelijke integriteit schoof de Hoge Raad opzij met een verwijzing naar de beperkingen die de wettelijke norm van artikel 1401 oud BW aan grondwettelijke bescherming stelt.
"Het belang van eiseres bij het door [de verkrachter] te ondergaan bloedonderzoek weegt immers in verhouding tot het door [de verkrachter] ingeroepen, door diens grondrecht beschermde belang voldoende zwaar om deze beperking te rechtvaardigen".2
HR 12 december 2003, RvdW 2003, 193
In het geschil tussen de arts en de patiënt werd de Hoge Raad opnieuw geconfronteerd met de vraag of medewer- king aan een bloedonderzoek rechtens afdwingbaar is. Groot verschil met de casus van het verkrachter-arrest was echter dat de aangesprokene in dit geval op geen enkele wijze onrechtmatig had gehandeld. In verband met kiespijnklachten werd de patiënt behandeld in het Medisch Centrum te…