Schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel in bezwaarfase leidt niet tot vernietiging van douaneheffingen omdat niet is voldaan aan 'andere afloop-criterium'
Samenvatting
Belanghebbende, douane-expediteur, heeft aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van fietsen met oorsprong Maleisië. Het antifraudebureau van de EU (OLAF) heeft onderzoek ingesteld en geconcludeerd dat de fietsen in werkelijkheid de oorsprong China hebben. De inspecteur heeft belanghebbende voorafgaand aan de navordering van douanerechten en antidumpingrechten wel het OLAF-rapport verstrekt, maar zonder de daarbij behorende annexen. Pas in hoger beroep heeft de inspecteur de annexen alsnog verstrekt, zij het met diverse ‘gewitte’ passages.
Hof Amsterdam (20 november 2014, nr. 12/00527, NTFR 2014/2953) heeft geoordeeld dat hiermee aanvankelijk niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage zijn verstrekt en dat daarmee het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, maar heeft hieraan geen gevolgen verbonden voor de heffingen. Volgens het hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat bij vroegtijdige informatieverstrekking een andere uitkomst mogelijk was geweest, onder andere als gevolg van de stelling dat de Maleisische autoriteiten wisten of behoorden te weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.
De Hoge Raad herhaalt dat schending tot nietigverklaring van het besluit leidt, wanneer een andere afloop mogelijk was. Het oordeel van het hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zonder schending van het verdedigingsbeginsel een inbreng had kunnen leveren die tot een andere uitspraak op bezwaar zou hebben kunnen leiden, acht de Hoge Raad cassatieproof.
(Cassatieberoep ongegrond.)
Feiten
2. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1. Belanghebbende, douane-expediteur, …