Schuld wegens onderhandse schuldigerkenning toch aftrekbaar voor successierecht
Samenvatting
Vóór 2003 gold voor vrijwel alle schenkingen de notariële akte als vormvereiste, op straffe van nietigheid. Vanaf 2003 zijn schenkingen vormvrij, met uitzondestichting-bewaarderring van de schenking ter zake des doods. Deze laatste vervalt bij het overlijden van de schenker, tenzij de schenking is vastgelegd in een notariële akte.
Kan een schenking in de vorm van een onderhandse schuldigerkenning na het overlijden van de schenker als schuld in mindering worden gebracht op het saldo van de nalatenschap? En geldt dit ook voor een schuld uit hoofde van een uiterste wil in een onderhandse vorm?
Tekst
Successierechtelijke ‘omvang van de nalatenschap’
Successierecht wordt geheven over al hetgeen krachstichting-bewaardertens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die op dat moment binnen het Rijk woonde (art. 1 lid 1 SW), eventueel na vermindering met de volgens de Successiewet voor aftrek in aanmerking komende schulden, legaten en lasten (art. 5 lid 1 SW). Wat onder schulden moet worden verstaan, wordt nader uitgewerkt in art. 20 SW: in beginsel kunnen alleen rechtens afdwingbare schulden en bepaalde belastinglatenties op een verkrijging in mindering worden gebracht. Schulden uit hoofde van een morele verplichting of een natuurlijke verbintenis zijn uitgesloten van aftrek, evenals belastingschulden waarvoor een ontheffing kan worden verkregen. Voor schulden onder een tijdsbepaling wordt aangesloten bij de contante waarde en met schulden onder een opschortende voorwaarde wordt pas rekening gehouden zodra de voorwaarde is vervuld (art. 53 lid 1 SW). Als last (in de betekenis van kosten; verplichtingen die niet op de erflater rusten, maar pas na diens overlijden ontstaan) kunnen op grond van art. …