Naar de inhoud

Sign. - Hoe werkt de tbs-regeling bij een algehele gemeenschap van goederen?

De man is gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Hij heeft een geldvordering op de BV waarvan hij enig aandeelhouder is. Tussen de man en de inspecteur is een geschil ontstaan over de vraag in hoeverre de vordering op de BV bij de man onder de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 Wet IB 2001 valt.
Volgens de inspecteur moet de vordering door de algehele huwelijksgemeenschap voor 50% aan de man en voor 50% aan zijn vrouw worden toegerekend. De Hoge Raad heeft zijn stellingen verworpen: niet de bestuursbevoegdheid maar de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap is bepalend voor de toerekening van het resultaat uit de terbeschikkingstelling. Volgens de Hoge Raad brengt het feit dat echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd niet mee dat de helft van het resultaat uit een door de ene echtgenoot verstrekte geldlening (al beïnvloedt dat resultaat het gemeenschapsvermogen) rechtstreeks (mede) aan de andere echtgenoot toevloeit (vgl. HR 9 december 1953, BNB 1954/9). Immers, in dat geval is in de relatie tussen schuldenaar en schuldeiser de echtgenoot/schuldeiser degene die het resultaat uit de geldlening geniet. De rechtbank heeft (in cassatie onbestreden) vastgesteld dat de vordering op naam stond van de man en dat de bestuursbevoegdheid met betrekking tot die vordering bij hem berustte en heeft, gelet op het vorenoverwogene, daaraan met juistheid de gevolgtrekking verbonden dat het resultaat van het rendabel maken van de vordering wordt genoten door de man. Voor zover de staatssecretaris betoogt dat de echtgenote de vordering indirect ter beschikking stelt, faalt het eveneens. Met indirect ter beschikking stellen is blijkens de wetsgeschiedenis beoogd onder de regeling te…