Sign. - Legitieme porties ten laste van samenwonende partner zijn direct opeisbaar (Rechtbank Den Haag 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12968)
M heeft uit een eerdere relatie vier kinderen. In 1995 stelt hij een testament op waarin hij (1) zijn nieuwe partner V, met wie hij samenwoont, benoemt tot zijn enige erfgename en (2) aan zowel de kinderen als aan V direct opeisbare legaten toekent. M overlijdt in 2011. Voor de rechtbank is in geschil of de legitieme porties van de kinderen direct opeisbaar zijn.
Omdat het testament vóór 2003 is opgesteld en (mede) is gemaakt ten behoeve van een levensgezel waarmee de erflater een gemeenschappelijke huishouding voerde, spitst het geschil zich toe op de toepasselijkheid van artikel 129 Overgangswet NBW. Volgens lid 1 is de legitieme vordering ten laste van deze partner pas opeisbaar na diens overlijden, maar volgens lid 2 geldt lid 1 niet voor zover uit de uiterste wilsbeschikking anders valt af te leiden.
Volgens de rechtbank strekt artikel 129 lid 1 Overgangswet NBW ertoe het ‘ongestoord voortleven’ van de langstlevende partner te waarborgen. Uit het testament blijkt echter dat M dit kennelijk niet heeft beoogd, nu alle legaten direct opeisbaar zijn en dus direct kunnen worden afgerekend. Juist dat direct afrekenen vormt in het algemeen de reden dat de achterblijvende partner niet ‘ongestoord kan voortleven’. Uit het feit dat de legaten direct kunnen worden afgerekend, kan dan ook worden afgeleid dat het ‘ongestoord voort kunnen leven’ niet vooropstond bij M, dan wel dat hij het voor het ‘ongestoord voort kunnen leven’ niet noodzakelijk achtte dat niet direct afgerekend behoefde te worden. Dit leidt tot de conclusie dat de situatie zoals bedoeld in artikel 129 lid 2 Overgangswet NBW aan de orde is…