Sign. - Ontheffing ouderlijk gezag


Naar het oordeel van het hof blijkt uit de feiten en omstandigheden voldoende dat de ouders ongeschikt dan wel onmachtig zijn om hun plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen en dat het belang van de kinderen zich niet verzet tegen ontheffing.
De ouders erkennen dat zij de zorg voor de kinderen op dit moment niet zelfstandig kunnen dragen, maar naar hun mening brengt dit niet zonder meer met zich dat zij van het gezag over de kinderen ontheven moeten worden. Ter onderbouwing van dit standpunt wijzen zij op hun duurzame bereidheid om de kinderen in een instelling te laten opgroeien.
Weliswaar is het juist dat de Hoge Raad in het verleden geoordeeld heeft dat aan de voor een gedwongen ontheffing van het ouderlijk gezag in artikel 1:268 lid 2 sub a BW gestelde voorwaarden in beginsel niet is voldaan, indien de met het gezag belaste ouder blijk heeft gegeven van duurzame bereidheid het kind in het pleeggezin dan wel instelling waarin het geplaatst is te laten opgroeien. Echter, de Hoge Raad heeft in een latere beschikking overwogen dat die rechtspraak heroverweging behoeft in verband met het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie, in zoverre dat het blijk geven van die duurzame bereidheid weliswaar in de beoordeling moet worden betrokken, maar niet (zonder meer) in de weg staat aan gedwongen ontheffing (HR 4 april 2008, LJN BC5726).
De stelling van ouders dat zij duurzaam bereid zijn de kinderen in een instelling te laten opgroeien, is op zichzelf genomen dan ook onvoldoende om niet tot een ontheffing te komen.

(Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26 januari 2012, LJN…

Terug naar overzicht