Naar de inhoud

Voor wie is het superdividend?

Art. 4.12a Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) biedt de mogelijkheid om dividend uit te keren op krachtens erfrecht verkregen aandelen zonder heffing van inkomstenbelasting, indien de dividenduitkering binnen twee jaar na overlijden van de erflater plaatsvindt. In een dergelijk geval kan ook voor de heffing van dividendbelasting onder voorwaarden inhouding achterwege blijven (art. 4e Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB 1965)). Deze mogelijkheid is in de praktijk ook wel bekend onder de term ‘superdividend’. In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de toepassing van art. 4.12a Wet IB 2001 in die situatie dat de erflater/aandeelhouder was gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen en sprake is van de wettelijke verdeling.1

Indien en zodra de wettelijke verdeling ongedaan wordt gemaakt, kan de langstlevende kiezen voor een legaat tegen inbreng. Op grond van art. 4.12a Wet IB 2001 is, aldus de tekst, alleen het dividend vrijgesteld dat wordt uitgekeerd op aandelen verkregen krachtens erfrecht. In de praktijk blijkt de vraag welke aandelen krachtens erfrecht zijn verkregen, echter niet altijd gemakkelijk te beantwoorden. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij besluit van 17 september 2014 de faciliteit van art. 4.12a Wet IB 2001 versoepeld. Daardoor kan de verkrijger krachtens erfrecht de faciliteit toepassen op zowel de vererfde aandelen/winstbewijzen als op de aandelen/winstbewijzen van dezelfde soort in dezelfde vennootschap die reeds in het bezit zijn op het tijdstip van overlijden. Aan de hand van de navolgende casus wordt stilgestaan bij de (civielrechtelijke) vraag aan wie het uitgekeerde (super)dividend toekomt in de periode…