Swipe to the left

Herziening van het wetsartikel over voorbereiding (artikel 46 Sr) noodzakelijk?

Print
By 16 december 2016 12233 keer bekeken Geen opmerkingen

Op 28 november jongstleden deed de Rechtbank Amsterdam uitspraak in de zogenoemde "26Koper"-zaak (o.a. ECLI:NL:RBAMS:2016:7769). De verdachten stonden -onder andere- terecht voor het medeplegen van voorbereiding van moord en deelname aan een criminele organisatie die het plegen van moorden tot doel had. Voor dit laatste feit werd het merendeel van de verdachten veroordeeld, maar van het medeplegen van voorbereiding van moord werden zij vrijgesproken. Er werden gevangenisstraffen tot 8 jaar opgelegd.

Wetswijziging voorbereidingshandelingen?

Het Openbaar Ministerie kondigde afgelopen maandag in de NRC aan dat zij in hoger beroep gaat én dat zij wil dat de wet wordt aangepast. De verdachten hadden alles wat nodig is voor een liquidatie, hadden een doelwit in beeld, en gedroegen zich alsof ze die persoon wilden vermoorden. Als dat nog niet genoeg is voor een veroordeling, is het tijd om te wet aan te passen, aldus zaaksofficieren Mous en Plooij. In tegenstelling tot wat menigeen misschien denkt naar aanleiding van alle (onvolledige) berichtgeving, is voorbereiding van misdrijven al strafbaar. Ongetwijfeld is het Openbaar Ministerie zich hiervan ook bewust. Welke wetswijziging zij precies voorstaat is -voor zover ik weet- nog niet bekend. Te vroeg dus om daarover al te hoog van de toren te blazen.

Juridisch kader

Om een volledig beeld te schetsen, wat houdt die strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen op dit moment precies in? Artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht luidt:

Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.

De achtergrond van deze bepaling is gelegen in de wens om het bestrijden van zware georganiseerde criminaliteit mogelijk te maken. In de jaren tachtig was er sprake van de opkomst en toename van zware (georganiseerde) criminaliteit. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever vond dat de strafbare poging niet meer afdoende was om effectief de georganiseerde criminaliteit te bestrijden (Kamerstukken II, 1990-91, 22268, nr.3 p. I). Uit de wetsbepaling volgt dat alleen voorbereiding van zware delicten strafbaar is, het dient te gaan om misdrijven waarop een gevangenisstraf van 8 jaar of meer staat. De voorwerpen dienen naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig te zijn aan het plegen van het criminele doel (HR 20 februari 2007, NJB 2007, 603). De Hoge Raad oordeelde dat er met vastgesteld moet kunnen worden tot welk misdrijf de voorwerpen dienen (HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:920, onder verwijzing naar HR 28 januari 2014:ECLI:NL:HR2014:179, NJ 2014/107).

De rechtspraktijk

Terug naar de 26Koper-zaak. De rechtbank komt tot de conclusie dat de middelen die de verdachten voorhanden hebben gehad (m.u.v. van enkele voorwerpen) naar hun uiterlijke verschijningsvorm en gebruik bestemd kunnen zijn voor de tenlastegelegde misdrijven. Hierbij hoeft het niet te gaan om en naar tijd en plaats gespecificeerd misdrijf, maar er dient wel sprake te zijn van een min of meer concreet strafbaar feit, aldus de rechtbank. En daar loopt het volgens de rechtbank stuk. De overweging van de rechtbank luidt:

"Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet met voldoende bepaaldheid is gebleken welk crimineel doel verdachte en zijn medeverdachten voor ogen hebben gehad. Weliswaar heeft verdachte – zoals hiervoor overwogen – deelgenomen aan een criminele organisatie die het plegen van liquidaties (moord gevolgd door brandstichting) tot oogmerk had, echter uit het onderzoek Koper is onvoldoende bewijs verkregen om te spreken van een concreet voorbereid misdrijf. De rechtbank deelt de visie van het Openbaar Ministerie niet dat slechts de aard (kwalificatie) van het voorbereide misdrijf moet komen vast te staan. Voor het bewijs dat de tenlastegelegde voorwerpen "bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf" moeten naar het oordeel van de rechtbank ook de contouren van het (feitelijk) te plegen misdrijf blijken." "Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet met voldoende bepaaldheid is gebleken welk crimineel doel verdachte en zijn medeverdachten voor ogen hebben gehad. Weliswaar heeft verdachte – zoals hiervoor overwogen – deelgenomen aan een criminele organisatie die het plegen van liquidaties (moord gevolgd door brandstichting) tot oogmerk had, echter uit het onderzoek Koper is onvoldoende bewijs verkregen om te spreken van een concreet voorbereid misdrijf. De rechtbank deelt de visie van het Openbaar Ministerie niet dat slechts de aard (kwalificatie) van het voorbereide misdrijf moet komen vast te staan. Voor het bewijs dat de tenlastegelegde voorwerpen "bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf" moeten naar het oordeel van de rechtbank ook de contouren van het (feitelijk) te plegen misdrijf blijken."

De rechtbank stelt verder dat bij voorbereiding van een moord doorgaans duidelijk zal zijn welk slachtoffer wordt beoogd. In deze zaak waren er heimelijk gemaakte opnames van personen. In elk geval één persoon voelde ook dreiging vanuit een bepaalde richting, maar, zo oordeelt de rechtbank, niet duidelijk is geworden wat de concrete plannen ten aanzien van deze persoon waren. Het zou kunnen dat deze persoon zou moeten worden doodgeschoten, maar evenzeer kan het zo zijn dat zij hem slechts wilden bedreigen, gijzelen of afpersen.

Dan rijst de vraag of dit betekent dat de bewijslast in dit soort zaken (voorbereidingshandelingen moord) te hoog ligt en of de wetsbepaling gewijzigd dient te worden. Een korte zoektocht op www.rechtspraak.nl (zoektermen: voorbereidingshandelingen moord, jaar 2016) wekt bij mij niet direct de indruk dat een veroordeling voor het (medeplegen van) het voorbereiden van moord een onbegonnen zaak is. In een aantal zaken die geselecteerd is op grond van deze zoektermen is sprake van voorbereiding van moord in de tenlastelegging. In géén van die zaken tref ik -afgezien van de 26Koper-zaak- een vrijspraak. Eén zaak (ECLI:NL:RBAMS:2016:2809) leent zich wat betreft de casus enigszins voor een vergelijking met de 26Koper-zaak. Ook hier ging het om een groep verdachten. Zij maakten gebruik van peilbakens, hadden jerrycans met benzine tot hun beschikking, een hoeveelheid aan wapens en maakten gebruik van gestolen auto's en PGP-telefoons (die ook deels zijn uitgelezen). In die zaak bleek echter wel op wie de groep verdachten het gemunt had. Uit de opgenomen gesprekken bleek daarnaast wie het beoogde slachtoffer was en werd ook voldoende duidelijk wat zij met hem wilden doen (uit de weg ruimen). De rechtbank kwam tot de conclusie dat uit alle bewijsmiddelen tezamen afdoende bleek dat de verdachten zich schuldig hadden gemaakt aan het medeplegen van het voorbereiden van een moord. De rechtbank overwoog:

"De inhoud van voornoemde gesprekken leveren niet alleen bewijs maar overtuigen de rechtbank er ook van in het licht van de overige bewijsmiddelen dat in ieder geval een liquidatie op handen was. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat de liquidatie ook daadwerkelijk die bewuste avond zou plaatsvinden. Wel staat vast dat in ieder geval [] , die de bijnaam ‘ [] " heeft, welke naam ook in de chatgesprekken op 31 januari 2015 voorkomt, het beoogde doelwit was van een liquidatie die op korte termijn zou plaatsvinden. Ook toont de inhoud van de berichten aan dat elke verdachte met dezelfde criminele intentie handelde. Hoewel de rollen van de verdachten verschilden, kan aan de hand van de inhoud van de gesprekken worden geconcludeerd dat alle verdachten van de spreekwoordelijke hoed en de rand wisten en dat zij dus ook allen handelden in die wetenschap."

Een ander voorbeeld betreft -sterk vereenvoudigd- een man die nadat zijn beesten (en wapens) door agenten waren afgepakt, een van deze agenten wilde doodschieten. De man had na dit incident een wapen aangeschaft van een getuige. Deze getuige heeft bij de politie verklaard dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij de man die verantwoordelijk was voor het weghalen van zijn beesten en die iedere keer weer achter hem aanzat een kogel door zijn kop wilde schieten. Hij wilde die man in de ogen kijken en dan een kogel door het hoofd schieten. Uit een relaas blijkt dat verdachte had gezegd “… dat hij beslist een wapen in huis wilde hebben omdat er regelmatig politie kwam en die ene agent zou hij doodschieten.” De Hoge Raad was van oordeel dat het hof hieruit zonder meer had kunnen afleiden dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan voorbereiding van moord.

Is het misdrijf -en beoogd slachtoffer- voldoende bepaald?

Anders gezegd, indien duidelijk is welk concreet delict de verdachten voor ogen hebben, en duidelijk is wie het beoogde slachtoffer is, lijkt een veroordeling wegens het medeplegen van voorbereidingshandelingen niet onhaalbaar. Er dient met voldoende bepaaldheid te kunnen worden vastgesteld welk misdrijf door de verdachten wordt beoogd. Dit lijkt mij een terechte beperking.

Kamervragen

Naar aanleiding van deze discussie zijn er ook Kamervragen gesteld. Van Oosten (VVD) vroeg zich af of de Minister gevolg gaat geven aan de oproep van de officieren van justitie. Minister Van der Steur heeft hierop -terecht- aangegeven dat hij zich momenteel nog niet over de oproep van het Openbaar Ministerie wil uitlaten omdat de zaak nog onder de rechter is. Wel wil hij het College van procureurs-generaal vragen (op een door hen passend geacht moment) om hem te informeren over mogelijkheden en wensen die zij hebben voor oplossingen voor het door de officieren geschetste probleem, aan de hand van een bredere analyse van de problematiek die wordt geschetst.

Het lijkt mij een goed uitgangspunt de zaak in hoger beroep af te wachten. Naar mijn mening is zeker niet gezegd dat de beslissing in hoger beroep hetzelfde zal zijn, een nieuwe beoordeling in feitelijke instantie kan een andere waardering van de bewijsmiddelen opleveren. Indien het Openbaar Ministerie (daarna) nog immer van oordeel is dat een wetswijziging noodzakelijk is, ligt het in de rede dat nader onderbouwd wordt op wat voor wetswijziging zij doelt en waarom dit noodzakelijk is. Zo op het eerste gezicht lijkt mij niet dat met het huidige artikel niet voldoende bereikt kan worden, maar wellicht onttrekt een deel van de onderbouwing zich aan ons gezichtsveld. Het ligt dan in de rede dat het Openbaar Ministerie nader onderbouwt waarom een wetswijziging noodzakelijk is. Hierbij dient, en ik sluit mij wat dit betreft volledig aan bij het redactioneel commentaar in de NRC van dinsdag 13 december 2016 en bij de visie van de Hoge Raad, er dienen wel bepaaldelijk eisen te worden gesteld aan de concreetheid van het voorbereiden van (bepaalde) delicten.

Lees meer blogs over strafrecht op Strafrecht Blog.

Posted in: Strafrecht